De juridische strijd tussen The New York Times en het techbedrijf OpenAI heeft een nieuwe wending gekregen. De krant beschuldigt OpenAI ervan bewijs te hebben achtergehouden in een lopende rechtszaak over auteursrechtenschending. De kwestie draait om de bewering dat OpenAI, de maker van de populaire AI-chatbot ChatGPT, journalistieke inhoud van de Times heeft gebruikt om zijn modellen te trainen zonder toestemming.
In de kern van de zaak staat de vraag of OpenAI bewust journalistieke werken heeft opgenomen in zijn trainingsdata en in welke mate deze inhoud door ChatGPT wordt gereproduceerd. Het bedrijf heeft volgehouden dat het technisch niet mogelijk was om zijn omvangrijke dataset te doorzoeken om te achterhalen of auteursrechtelijk beschermd materiaal werd gebruikt. Bovendien zou het doorzoeken van klantgesprekken privacyproblemen kunnen opleveren, aldus OpenAI.
Echter, tijdens een getuigenis in april onthulde Vinnie Monaco, een data-privacy engineer bij OpenAI, dat het bedrijf al interne zoekopdrachten had uitgevoerd binnen zijn trainingscorpus. Dit was vóór de aanklacht van de NYT. Bovendien zou OpenAI een database hebben opgebouwd met 78 miljoen geanonimiseerde ChatGPT-gesprekken om inbreuken op auteursrechten te controleren.
OpenAI wordt verder beschuldigd van het implementeren van een “Bloom” filter als onderdeel van “Project Giraffe”, dat het gebruik van specifieke journalistieke werken in de gegenereerde uitkomsten moest detecteren. Deze onthullingen zijn van groot belang omdat de eisers een steekproef van 120 miljoen chatlogs hadden gevraagd, terwijl OpenAI slechts bereid was 20 miljoen vrij te geven. De verstrekte gegevens zouden volgens de rechtbank echter zo zwaar geredigeerd zijn dat ze onbruikbaar waren.
De New York Times en The Daily News eisen nu dat de rechter OpenAI sancties oplegt voor het belemmeren van het bewijsproces. Ze willen dat de steekproef van 20 miljoen chatlogs niet als bewijs mag worden ingebracht, omdat deze onbetrouwbaar zou zijn. Daarnaast vragen ze de rechtbank om te erkennen dat de chatlogs significante reproducties van hun inhoud zouden hebben aangetoond. Ook willen ze dat OpenAI opdraait voor de juridische kosten die zijn gemaakt om dit bewijs te achterhalen.
OpenAI heeft via een woordvoerder de beschuldigingen ontkend en de Times ervan beschuldigd te proberen toegang te krijgen tot privégesprekken van gebruikers, nu hun zaak zwakker zou worden. “Terwijl de zaak van de Times zwakker wordt en ze gedwongen zijn claims tegen ons te laten vallen, zetten ze hun pogingen voort om de privacy van mensen te schenden die niets met deze zaak te maken hebben,” aldus de woordvoerder.
Deze juridische strijd benadrukt de complexe ethische en juridische vraagstukken rondom kunstmatige intelligentie en auteursrecht. De uitkomst van deze zaak zou verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor hoe AI-bedrijven omgaan met auteursrechtelijk beschermd materiaal in hun trainingsprocessen en de verantwoordelijkheid die zij dragen voor de output van hun modellen. De rechtbank zal nu moeten beslissen hoe zwaar de beschuldigingen wegen en welke gevolgen dit heeft voor de betrokken partijen.